Recente data uit het onderzoek tonen aan dat steeds meer werkgevers hun werknemers die ver weg wonen, in de eersteklas laten reizen. Van de mensen die eersteklas reizen, reist 80 procent langer dan 30 minuten.
Vervroegingseffect
Daarnaast blijkt uit de data een ‘vervroegingseffect’ bij alle werknemers die relatief lang naar hun werk moeten reizen. Deze werknemers vertrekken ‘s ochtends gemiddeld 30 minuten eerder naar werk en ‘s middags gemiddeld 30 minuten eerder naar huis. Voor de ochtend is dit een logische trend, omdat veel werknemers op een bepaald tijdstip op hun werk moeten zijn.
Eerder weg, spits mijden
Volgens mobiliteitsexpert bij Shuttel Bart Horstman is het opvallender dat werknemers die lang moeten reizen, in de middag eerder vertrekken dan collega’s met een korte reistijd. Dit laat volgens hem de coulance zien die werkgevers tonen om niet per se tot 17.00 uur te hoeven werken. De resterende uren kunnen na de spits ook in het ov of thuis gemaakt worden.
Inspelen op behoeftes werknemers
Het vervroegingseffect sluit aan op een trend die zij al langer zien: werknemers willen meer autonomie over de indeling van hun werkweek. Daarnaast draagt het stimuleren van reizen buiten de spits bij aan de productiviteit.
Over het onderzoek
Shuttel heeft de 416.509 treintransacties van 16.889 werknemers geanalyseerd. Deze transacties zijn tussen 1 januari 2024 en 10 december 2024 met de mobiliteitskaart geregistreerd. De steekproef is zorgvuldig geselecteerd uit de 250.000 gebruikers om een representatief beeld te geven van het reisgedrag in de trein.
Bron: persbericht Shuttel






