Logistiek groeit uit tot grootste bron van flex op bedrijventerreinen

Logistiek groeit uit tot grootste bron van flex op bedrijventerreinen
Een e-truck aan de lader in Duitsland. Foto: Focke Strangmann/dpa.

De logistiek, en met name het vrachtvervoer, vormt de komende jaren de grootste bron van opgesteld elektrisch vermogen op Nederlandse bedrijventerreinen. Dat blijkt uit een analyse van TNO, gebaseerd op een doorrekening van de energiehuishouding op alle Nederlandse bedrijventerreinen, met uitzondering van de grote industriële clusters. De uitkomst geeft een eerste indicatie van de potentie voor flexibel vermogen, al benadrukt TNO dat nader onderzoek nodig is naar de werkelijke beschikbaarheid van dat vermogen voor flexibele inzet.

Flexibiliteit wordt gezien als een belangrijke schakel in de energietransitie, omdat de productie van elektriciteit uit zon en wind niet altijd samenvalt met de vraag. Dat kan je oplossen met opslag, maar ook met flexibel gebruik op basis van het aanbod. Bedrijventerreinen spelen daarin een bijzondere rol: ze concentreren veel verbruik en kunnen gezamenlijk flexibiliteit organiseren, bijvoorbeeld via lokale Energy Hubs. “Het beter benutten van lokaal opgewekte energie en het bieden van flexibiliteit is essentieel voor de ontwikkeling van Energy Hubs”, schrijven de onderzoekers in het rapport.

Energie-softwaretools

De werking van de Energie Potentieel Scan (EPS) en de Flex Scan. Figuur: TNO
De werking van de Energie Potentieel Scan (EPS) en de Flex Scan. Figuur: TNO

De analyse is uitgevoerd met behulp van twee softwaretools die TNO eerder ontwikkelde: de Energie Potentieel Scan (EPS) en de Flex Scan. Samen laten ze zien waar en in welke mate bedrijven kunnen verduurzamen en flexibiliteit kunnen bieden aan het energiesysteem. De EPS brengt de energiehuishouding van een bedrijventerrein in kaart, onder meer op basis van cijfers die het CBS heeft van de betreffende sectoren, terwijl de Flex Scan laat zien welke apparaten en processen – zogenoemde assets – kunnen worden ingezet voor vraagsturing of netondersteuning (op basis van conservatieve ingeschatte adoptiegraden).

Voor de berekening van de elektrificatiepotentie in 2030 en 2035 bepaalde TNO in het rapport ‘Flexibiliteit en energie assets op bedrijventerreinen: een toekomstverkenning’ per bedrijventerrein het gebouw- en procesgebonden aardgas- en elektriciteitsverbruik en rekende dat zo om naar een theoretisch elektriciteitsverbruik en elektrisch vermogen voor 'zichtjaren' 2030 en 2035: en daarmee de potentie voor flex.

Opgesteld vermogen per asset in 2020, 2030 en 2035. Artikel loop door onder de tabel.

Elektrische trekker-opleggers
0
711
2072
Elektrische bestelwagens
3
483
1053
E-boilers
0
589
877
Elektrische bakwagens
0
156
644
Vriescellen
181
181
181
Warmtepomp gebouw
20
79
106
Industriële warmtepomp
0
33
69
E-drogers
0
16
24

Grote groei bij logistieke assets

De resultaten laten zien dat vooral de logistieke sector sterk elektrificeert. Het opgestelde vermogen van elektrische trekker-opleggers groeit volgens de TNO-raming van nagenoeg 0 MW in 2020 naar circa 700 MW in 2030 en ruim 2.000 MW in 2035. Daarmee vertegenwoordigt deze categorie het grootste aandeel van het totaal aan elektrisch vermogen op bedrijventerreinen.

Ook elektrische bestelwagens laten een forse stijging zien: van 3 MW in 2020 naar 483 MW in 2030 en ruim 1.000 MW in 2035. De elektrische bakwagens (kleine vrachtwagentjes) volgen met een groei van 0 MW naar 156 MW in 2030 en 644 MW in 2035. Samen tonen deze cijfers dat vooral de logistieke elektrificatie, inclusief laadinfrastructuur, de komende tien jaar bepalend is voor het elektrisch vermogen op bedrijventerreinen.

Bij industriële warmte komen e-boilers in 2030 uit op bijna 600 MW en groeien door tot ongeveer 900 MW in 2035. De industriële warmtepomp stijgt van 0 MW naar 33 MW in 2030 en 69 MW in 2035, terwijl de E-droger toeneemt van 0 MW naar 16 MW en daarna 24 MW. Vermogen is hier weergegeven als elektrisch ingangsvermogen, niet als thermisch uitgangsvermogen.

De gebouw-warmtepomp, vooral bedoeld voor verwarming en koeling van kantoren en bedrijfsgebouwen, stijgt van 20 MW in 2020 naar 79 MW in 2030 en 106 MW in 2035. De vriescellen vormen een aparte categorie: hun vermogen is nu al volledig elektrisch en blijft daarom constant op 181 MW over de hele periode.

Flexibiliteit verschilt per type asset

De omvang van het vermogen zegt nog weinig over de daadwerkelijke inzetbaarheid als flexibiliteit. “Verder onderzoek is nodig om te bepalen welk deel van dat vermogen flexibel ingezet kan worden”, aldus de onderzoekers. Bij logistieke assets ligt de nadruk op slim laden, bijvoorbeeld ’s nachts om pieken in het net te verminderen. Industriële warmte-assets kunnen flexibiliteit leveren door warmteproductie tijdelijk te verschuiven, mits voldoende buffering aanwezig is.

Bij vriescellen zit de speelruimte in het moment van koelen: tijdelijk sterker koelen bij lage prijzen of voldoende koeling opbouwen om bij duurdere uren minder vermogen af te nemen. Ook warmtepompen voor het verwarmen en koelen van gebouwen bieden flexibiliteit, maar moeten dat altijd binnen de comfortzones van de gebruiker doen. De huidige analyse houdt geen rekening met de aansluitcapaciteit van individuele bedrijven.

Verschillen tussen provincies

Hoewel het rapport niet voor alle provincies gedetailleerde datasets publiceert, zijn de patronen duidelijk. De provincies Noord-Brabant, Zuid-Holland, Gelderland en Noord-Holland hebben volgens de TNO-prognoses het grootste totaal aan opgesteld vermogen. Dat komt vooral door de concentratie van logistieke bedrijvigheid in deze regio’s. In Noord-Holland en Noord-Brabant speelt daarnaast industriële warmte een relatief grote rol, terwijl gebouw-warmtepompen vaker voorkomen in Noord-Brabant, Noord-Holland en Utrecht. De vriescellen – al langer elektrisch – staan voornamelijk in Gelderland en Noord-Brabant, waar veel voedselverwerkende industrie en logistieke opslag aanwezig is.

Bottom-up

De aanpak van TNO is een bottom-up-benadering: elk bedrijventerrein wordt afzonderlijk doorgerekend, waarbij de samenstelling van bedrijven en hun sectorprofielen bepalend zijn voor de uitkomsten. Zo ontstaat een gedetailleerder beeld dan bij nationale ramingen op sectorniveau. “De resultaten van dit onderzoek zijn relevant voor beleidsmakers, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, netbeheerders en marktpartijen die werken aan de verduurzaming van bedrijventerreinen en de ontwikkeling van lokale energy hubs”, schrijven de onderzoekers.

De inzichten helpen volgens de auteurs om te bepalen waar kansen liggen voor elektrificatie en hoe toekomstige netinvesteringen beter kunnen worden afgestemd op regionale ontwikkeling. TNO benadrukt dat de berekende vermogens vooral een theoretische potentie weergeven. De volgende stap is het bepalen van het daadwerkelijk regelbaar vermogen, rekening houdend met netcapaciteit, bedrijfsprocessen en economische prikkels. Pas dan wordt duidelijk hoeveel van deze groei kan bijdragen aan de flexibiliteit die nodig is voor het toekomstige energiesysteem.

Tijdo is hoofdredacteur van ENTRA. Als afgestudeerd politicoloog zette hij in 2005 zijn eerste schreden in de journalistiek bij het Amsterdams Stadsblad. Sinds 2009 richt hij zich als vakjournalist met name op de bouw-, energie- en installatiesector. Meestal schrijvend, maar ook als podcastmaker en dagvoorzitter. Vaak met een kwinkslag, maar altijd op de inhoud.
Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.